
Column - Wij waren achttien in getal
Column 63 keer gelezenWe bezochten vanuit de lessen levensbeschouwing jaarlijks het Nationaal Monument Concentratiekamp Vught. Toen ik daar geconfronteerd werd met de oppervlakte van de zogeheten dodencel en me de omstandigheden van de mensen in die cel probeerde in te beelden, drongen de vierkante meters uit ‘Het lied der achttien dooden’ pas werkelijk tot me door.
Door Rob Rijkschroeff
Op bevrijdingsconcerten in Haamstede en Goes zong het Zeeuws Mannenkoor dit verzetsgedicht van Jan Campert uit 1942.
Op de vooravond van de executie roept een van de achttien verzetsstrijders ons op de achttien doden en hun naasten te gedenken.
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.
Met het woord ‘nauw’ (nauwelijks) wordt niet alleen de krapte van de cel, maar feitelijk ook de plek van de executie en uiteindelijk zelfs de ruimte van het graf al aangekondigd.
Ook voel je de beklemming van de tijd die rest. Heden, verleden en toekomst lopen door elkaar heen.
In het zevende en laatste couplet horen we zijn laatste wens, gericht aan God: dat het sterven licht mag zijn. Hij vraagt vergeving voor zijn falen, opdat hij als hij voor de lopen staat, kan heengaan als een man in de genade van God.
Veelbetekenend is het werkwoord dralen:
‘Ik zie hoe ‘t eerste morgenlicht door ‘t hoge venster draalt’.
De tijd die rest wordt nog even tegengehouden. Het lijkt wel alsof de morgen geen zin heeft het licht te laten doorbreken, maar ieder weldenkend mens weet: niemand houdt de dageraad, het licht noch de tijd tegen!
















