
Column - Een huisdier
Algemeen 81 keer gelezenMijn ouders hadden niet zoveel met huisdieren.
Dat vond ik wel jammer, want welk kind vindt het nu niet leuk om een kwispelend hondje te aaien of een jong poesje achter de draden van een bolletje wol te zien rennen?
Mijn moeder vond katten maar eng en vertelde ons dat de buurvrouw bijna een hartaanval had gehad, toen ze een keer haar kat in de wieg van haar pas geboren kind had aangetroffen.
Door Albert Kort
‘Stel je voor’, zei mijn moeder, ‘dat valse kreng had het misschien wel voorzien op die mooie, blauwe oogjes van haar kindje.’
Waarschijnlijk een broodjeaapverhaal, maar het maakte toen diepe indruk op me.
Ook de aanschaf van een hondje was uitgesloten.
Mijn vader had een uitgesproken hekel aan honden.
Het woord ‘hond’ kon hij nauwelijks over zijn lippen krijgen.
‘Draken’ noemde hij ze, vieze en harige wezens waarvan het slijm uit de bek sijpelt.
Duidelijke woorden, zelfs voor kleine kinderen.
Omdat ik wist dat een hondje of poesje er niet in zat, dacht ik dat een vogeltje misschien wel iets was.
En warempel, dat vonden ze een prima idee. Tenslotte zat zo’n diertje in een kooi, keurig opgesloten en dus niet in staat om allerlei onverwachte bewegingen in het huis te maken.
Precies zoals een speelgoedbeertje, een diertje dat je onder controle had.
Toen ik een jaar of acht werd, was het zover en kreeg ik voor mijn verjaardag een vogelkooi, compleet met vier tropische vogeltjes, een paartje zebravinken en twee Japanse merels, uitermate nerveuze beestjes die naar alle kanten vlogen als je te dichtbij kwam.
Mooi fluiten konden ze niet, vechten des te meer en dat was begrijpelijk als je weet dat de kooi de vorm had van een toren.
Ruimtebesparend, maar voor vogels die niet in staat zijn om als een helikopter op te stijgen, moet het een regelrechte hel zijn geweest.
In een andere kooi had ik parkieten. Kleurrijke diertjes, maar ook ware vechtjassen met een stevige snavel.
Bekvechters en, niet te vergeten, uitermate luidruchtig.
Als er bijvoorbeeld bezoek kwam, deden de parkieten hun best om het lawaai te overstemmen.
Om aan de kakofonie een einde te maken én om er voor te zorgen dat de beestjes niet aan een hartaanval zouden bezwijken, was echter slechts een kleine ingreep nodig.
Je gooide gewoon een doek over de kooi waarmee binnen de kortst mogelijke keren de rust was hersteld.
Was dat ook maar mogelijk met mensen die in gesprekken te nadrukkelijk aanwezig zijn!
















